Alles aan flarden in de bek van het beest

 

Tweede dichtbundel van Peter Swanborn



 

Peter Swanborn (1963) maakte twee jaar geleden zijn debuut met de bundel Bij het zien van zijn lichaam, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’ Prijs. Het was een vormvast en beheerst debuut, waarin twee verschillende werelden voorkwamen: de wereld van de zich vaak in het verborgene afspelende homoseksuele liefde, en zijn ouder wordende ouders, van wie de moeder aan het dementeren was. Tussen de beleving van lust en de aanvaarding van de vergankelijkheid bewogen zich de gedichten.

De figuur van de moeder keert terug in Tot ook ik verwaai, die van begin tot einde haar aftakeling tot aan haar dood beschrijft. Opnieuw is er die voorzichtige toon, steeds balancerend tussen afstand en intimiteit. De band tussen moeder en zoon is verworden tot een dunne draad nu zij haar eigen kind niet meer herkent. Alles wat rest zijn herinneringen, voor wat die waard zijn: ‘Ik denk aan vroeger, het goede dat was, / het moeilijke dat bleef, een weet niet goed / wie van wie een zegen wil.’

Swanborn maakt vormvaste gedichten in toegankelijke taal, soms met flarden van gesprekken en regels die voortijdig afbreken: ‘Het idee dat we te laat, al die tijd voor niets.’ Het verhaal wordt fragmentarisch opgebouwd, aan de hand van losse waarnemingen. Met behulp van sprekende details rijst hij het beeld op van een tachtigjarige vrouw die eerst haar geest en dan haar lichaam verliest. Aan het begin van de bundel schuifelt ze door een kamer van het verzorgingshuis, en wil niet meewerken aan het zeggen van haar naam of welke dag het is.

De zoon is trots op dat verzet: ‘haar weigering / verkleind te worden tot het kind / dat ze was en ongewild wordt’ maar ’s avonds ziet hij hoe ze ineenkrimpt, haar eigen dode ouders aanroept en kan niets beginnen: ‘Ik zeg niets, doe lampen uit, / trek gordijnen dicht.’ Dit gevoel van machteloosheid is in elk gedicht tastbaar en geeft de bundel een claustrofobisch karakter. De figuur van de moeder blijft ook zelf schimmig: we komen weinig te weten over hoe haar leven vroeger was.

Wat waren de eerste tekenen van haar ziekte, wanneer werd het voor het eerst duidelijk? En hoe zag haar leven eruit? We komen alleen te weten dat zij eerst in Maastricht en daaarna in Middelburg woonde (‘of was het andersom?’), en daarna: ‘Mijnen in Friesland, schaatsen in Limburg.’ Het moet natuurlijk andersom zijn en het komt doordat ze zelf niet doorheeft dat alles in haar geest langzaam wegsijpelt:


Namen, verhalen, gezichten, alles

aan flarden in de bek van het beest.


Ik vind dit een van de sterkste en meest onthutsende regels uit de bundel: alzheimer als moordenaar. Aangrijpend is ook het gedicht ‘Los’ waarin de moeder uiteindelijk op sterven ligt en de zoon probeert haar toe te spreken met de geruststellend bedoelde clichés die daarbij horen – het is goed zo, de strijd is over, straks zie je je ouders weer terug. Haar antwoord komt even droog als onverwacht: ‘Het zal wel.’

Swanborn is op zijn sterkst met dit soort onverwachte wendingen. Een ander opvallend gedicht is het nachtmerrieachtige ‘Ruïne’, dat zich lijkt af te spelen in een volkomen verwarde hersenpan. Ook de momenten waarin wordt geprobeerd de geest van de moeder te bereiken (‘Alles is daar. Ik kan er niet bij’) zijn ontroerend. Het is natuurlijk een van de lastigste onderwerpen, en Swanborn is daarbij zichzelf en zijn eigen machteloosheid niet uit de weg gegaan.

De soberheid van zijn taal past goed bij het onderwerp, hoewel sommige van de dagelijkse sfeertekeningen blijven steken in vlakheid (‘Dokter komt langs, fysio masseert / personeel verzorgt, tv staat aan, / telefoon, wasmachines draaien’). Maar als geheel genomen maakt deze bundel een sterke indruk met gedichten die je nog lang na lezing bijblijven. Dit kan iedereen overkomen, een aanval van het beest dat alles aan flarden kauwt.


****

Peter Swanborn

Tot ook ik verwaai

Podium, € 14,50

 

dinsdag 26 januari 2010

 
 
Gemaakt op een Mac

volgende >

< vorige