‘Eenzaamheid is niet mijn thema’

 

Over Flitsleemte van Elma van Haren

 

Bij de ingang van de Buchmesse in Frankfurt, vlak naast de tramhalte, stonden dit jaar een viertal Chinezen. Ze protesteerden tegen het regime in hun land, en werden daarbij door de massa’s straal voorbijgelopen. Hun gebaar was een understatement: geen geschreeuw of gezwaai met vlaggen; ze stonden er en zwegen, roerloos alsof ze tai chi deden. Daar moest ik aan denken bij het lezen van de volgende, fraaie aantekening achterin Flitsleemte, de nieuwe bundel van Elma van Haren: ‘Yao He’s verzen worden door de Chinese literatuurcritici omschreven als pingdan, ‘vlak en mild’, waarbij ‘mild’ begrepen moet worden als ‘niet gekruid’.’

Yoa He, een Chinese dichter uit de achtste eeuw, schreef een gedicht waarin hij zegt zijn eigen poëzie niet de moeite waard te vinden: er zit kraak noch smaak aan. Hij houdt echter op met het verbranden ervan als hij hoort dat zijn werk op dat van een vriend lijkt. Als het doet denken aan wat iemand anders maakt, heeft het misschien wél waarde, zo meent hij. Van Haren reageert op het gedicht: ‘Er bestaat geen hiërarchie der woorden / / dus ja, / zinnen kunnen merkwaardig kleurloos zijn.’ Die kleurloosheid is niet het erge, het zit hem eerder in de houding van de dichter. Er schuilt ook iets ijdels in het jezelf publiekelijk vernederen, in de hoop dat iemand je dan tegenspreekt.

Gelukkig heeft Van Haren, die meer dan twintig jaar geleden debuteerde met De reis naar het welkom geheten (C. Buddingh’ Prijs, 1988) zelf geen last van kleurloosheid. Soms zijn haar gedichten zijn verhalend als proza, op andere momenten is ze meer fragmentarisch en filosofisch. Haar toon is daarbij altijd associatief en geestig. Zo bezingt ze bijvoorbeeld schimmelkaas: ‘Bij een partijtje geurworstelen tussen Stilton en de zee / legt de laatste het af’, en figureren Jan Klaassen en Katrijn compleet met dialogen (‘Nee, genade genade!’) in een mooi gedicht over een augustusavond op het land.

Opvallend is het terugkerende thema van het personage van de dichter, dat door de bundel is geweven. Niet altijd zien we die op zijn meest gelukkige moment: zo koketteert een dichter met zelfmoord en beantwoordt daarover vragen uit het publiek, en hebben twee dichteressen een jaloerse dialoog over een mooie, jonge collega die ze vanuit de coulissen gadeslaan. Dan is er de dichter, wiens werk helemaal over de eenzaamheid gaat: ‘Het was een aardige en ook aantrekkelijke man, / maar eenzaam was hij / en moest hij blijven / omwille van zijn eenzaamheid.’ Van Haren hoort hem uit eigen werk voorlezen en besluit berustend en gedecideerd: ‘Ik had hem graag willen aanspreken, / doch eenzaamheid is niet mijn thema.’

Een andere dichter heeft wel haar interesse en ze zoekt hem op bij zijn werkplek. Daar blijkt hij niet van gediend: ‘Ik ken u niet, sneerde hij kil, ik moet aan het werk. / Ik heb geen tijd voor dit gedoe.’ Ze pest hem door haar hand als een pistool op hem te richten, en wordt in zijn ogen ‘een gek wijf met een poëtisch pistool’ – maar zo had ze het uiteraard niet bedoeld. Het is dan al niet meer te herstellen. Van Haren zoekt naar gedeelde interesses, maar niemand lijkt zich daarom te bekommeren: er wordt door dichters vooral veel aan zichzelf en aan de kunstvorm op zich gedacht, niet hoe die zich verhoudt tot de wereld.

Wat heb je aan dichters die zich alleen maar bezig willen houden met hun eigen eenzaamheid of door ouderdom verminderde aantrekkingskracht? Waarom een dichter lezen die zelf helemaal niet wil communiceren? De slotsom van deze bundel is even paradoxaal als juist getroffen:


Soms zit er nu eenmaal in een dichter gewoon

een totaal niet tegemoetkomende persoonlijkheid.

Gelukkig voor de poëzie,

want de persoon van de dichter

kan alles verpesten.


VICTOR SCHIFERLI

(vier sterren)

Elma van Haren, Flitsleemte

De Harmonie, 64 p.

€ 14,50


 

Her Parool, 18 november 2009

 
 
Gemaakt op een Mac

volgende >

< vorige